Een gesprek met Thomas Rosenboom
‘Elke dag een bladzijde’
Patricia de Groot, die als redacteur van Thomas Rosenboom met hem samenwerkte, sprak met de schrijver over de ontstaansgeschiedenis van die roman, over zijn manier van schrijven en over de levensloop van de twee hoofdpersonen, Rebert van Buyten en Jan de Loper.
Ik kan me voorstellen dat je lang aan je nieuwe roman gewerkt hebt, Zoete mond is heel omvangrijk.
Sinds het verschijnen van mijn vorige boek en het gereedkomen van mijn nieuwe roman zijn vijf jaar verstreken, maar het eerste jaar van die periode is voorbijgegaan met uitrusten en privé weer op orde komen. Al met al heb ik dus ongeveer vier jaar daadwerkelijk aan Zoete mond gewerkt, en dat zo dagelijks mogelijk: het boek is geschreven in een werkkamer op de uitgeverij, en elke dag dat de uitgeverij open was ben ik er geweest, zonder behoefte aan vakantie of onderbrekingen door ziekte – achteraf gezien een heel goede tijd.
Hoe zag zo’n schrijfdag er dan uit, zit je bijvoorbeeld achter de computer? Of gebruik je eerst de pen en tik je het manuscript pas later?
Vroeger schreef ik inderdaad de eerste versie met de hand, en daarna nog twee versies op de schrijfmachine respectievelijk de computer, maar vanaf De nieuwe man ben ik dadelijk op de computer begonnen en schrijf ik nog maar één versie, elke dag een bladzijde. Toch herschrijf ik nog altijd veel, want de bladzijde van maandag krijg je dinsdag weer onder ogen, je herstelt de gebreken, gaat door met de nieuwe bladzijde, enzovoort. Als ik terugdenk zie ik de pagina’s als dakpannen over elkaar liggen.
Bij het schrijven heb ik op mijn werkkamer een groot schema aan de muur hangen. Ik maak dat schema zoveel mogelijk van tevoren, tot het me genoeg vertrouwen geeft om te beginnen met schrijven. Terwijl het boek vordert vul ik het verder in en dient het als houvast.
Kun je je nog herinneren hoe het was voordat je aan de roman begon te bouwen? Ik bedoel, bedacht je een idee voor de nieuwe roman of had je opeens een beeld voor ogen dat alles in gang zette?
Ongeveer zes jaar geleden kreeg ik een konijn in huis en raakte ik als het ware bedwelmd door liefde voor dat dier, en dat was het eerste beeld voor Zoete mond: een heel dorp dat uitbreekt in dierenliefde. Iemand van buiten moest dat teweeg brengen, een vreemdeling die zich in het dorp vestigt en een bijzondere band met dieren heeft – een dierenarts, dacht ik opeens, een dierenarts die een praktijk begint voor louter gezonde dieren, omdat de kinderen dat van hem vragen. Toen ik vervolgens een tegenspeler voor hem vond, in de persoon van Jan de Loper, begon een en ander op een verhaal te lijken en kon ik beginnen.
Rebert van Buyten speelde vanaf het begin de hoofdrol, Jan de Loper werd pas later belangrijk in het verhaal, eigenlijk pas vanaf het moment dat ik hem niet alleen meer een stuitend, maar ook een tragisch figuur begon te vinden. Dat de finale tussen hen beiden zou gaan werd toen een mogelijkheid die ik niet eerder had gezien.
Ik bedacht dat ze in een dorp moesten wonen, en even later herinnerde ik me een documentaire over een walvis die de Rijn op zwom, en dacht: dat kan ik dan ook laten gebeuren. Wat me toen voor ogen stond had wel iets van een zoetige western; het uiteindelijke resultaat is veel donkerder van kleur geworden.
Je laat het verhaal zich afspelen in Angelen, een klein dorpje aan de Rijn. Maar ik kon de plaats niet op de kaart vinden...
Nou, het bestaat ook helemaal niet. Het is een denkbeeldig dorpje, dat ik aan de noordelijke oever van de Rijn, zo ongeveer schuin tegenover Millingen heb gesitueerd. Het ligt in de buurt van Tolkamer, bij de Duitse grens, waar de Rijn Nederland binnen stroomt. Ik wilde een prototype van een dorpje beschrijven, een ‘oerdorp’ met een kerk, een bakker enzovoort. Dat zijn uitsluitend de elementen waar het mij om ging, die ik kon gebruiken zonder vast te zitten aan het weergeven van een bestaand plaatsje. Omwille van mijn vrijheid bij het schrijven en omwille van het exemplarisch zijn heb ik daar Angelen voor bedacht.
Geldt die vrijheid ook voor de jaren waarin het verhaal zich afspeelt? Je noemt namelijk niet zo veel specifieks uit de jaren vijftig en zestig, vond je dat ook niet nodig?
Ik wilde het graag algemeen houden, want de jaren zestig spelen op zich geen rol. Toevallig zwom de witte walvis in 1966 Nederland binnen, dat wilde ik beschrijven, niet de periode van de jaren zestig. Maar sommige elementen uit die tijd kon ik inzetten voor het verhaal, zoals bijvoorbeeld de hippies die langs de Rijn zitten te kijken, en de opkomst van de televisie. Dat laatste heb ik gebruikt om aan te geven hoe moeilijk Jan de Loper het heeft. Als zijn beroemdheid tanende is, kan alleen de televisie hem terugbrengen in het oog van de massa, maar de tv hoeft hem niet.
Jan de Loper wordt tergend naarmate zijn grappen meer en meer herhaald worden. Dat procedé past helemaal in de roman, omdat veel dubbel voorkomt. Zo komt de beginscène met een ingenieuze constructie ongeveer vierhonderd pagina’s later terug, of andere scènes komen gespiegeld bij de tegenspeler voor. Heb je die dubbeling bewust op verschillende niveau’s in de roman aangebracht?
Nee hoor, die dubbeling is me pas vrij laat gaan opvallen en is volkomen onbewust in het verhaal gekomen. Met zoveel voorbedachten rade schrijf ik dus ook weer niet. Maar het was wel mooi meegenomen, toen ik het eenmaal zag kon ik er ook mee spelen. Een voorbeeld daarvan is Japie, een jongetje uit het dorp, dat altijd gepest wordt. In het boek zijn daar twee scènes van opgenomen, die nogal ver uit elkaar liggen: de eerste keer als hij brood heeft gehaald en een groepje kinderen hem dat bruut afpakt. Vervolgens is Japie de voorganger van de dierenliefde in het dorp, hij wordt een populaire jongen en het pesten is afgelopen. De witte walvis zwemt aan het dorp voorbij, Rebert loopt langs de rivier met de walvis mee Duitsland in, en als hij terugkomt is het dorp teruggevallen in de oorspronkelijke staat. Wanneer Rebert boodschappen gaat doen, ziet hij dat Japie opnieuw gepest wordt, zijn rode jasje wordt hoog in een boom gegooid. De idylle van de dierenliefde is voorbij, het is weer de gewone wereld met de kinderwreedheid, de pesterijen.
Heeft die dubbeling ook te maken met de geschiedenis die zich herhaalt? Je schrijft dat het moderne leven in het dorpje aan de Rijn zijn intrede doet, maar tegelijk verandert er niets in de loop van de geschiedenis. Het blijft hetzelfde dorp, met dezelfde mensen, dezelfde dieren... Ik vind het prachtig beschreven en tegelijk ook enigszins beklemmend: blijft dan altijd alles hetzelfde?
Je kunt de gehele vertelling in het boek zien als iets dat even uit de tijd gelicht wordt. Een circus komt naar het dorp, een paar dagen lang is alles anders, dan trekt het circus weer verder. Het dorp blijft onveranderd achter, zou je zeggen, maar het is nu wel een dorp waar het circus is geweest, en daarvoor nog niet. Zo kun je ook de gehele vertelling van deze roman zien, als een idyllisch intermezzo in de prozaïsche werkelijkheid die iedereen kent. Het leven is op zich natuurlijk helemaal niet idyllisch.
Het maakt Zoete mond tot een ontroerend boek, maar tegelijk is het ook een beklemmend én een heel geestig boek. Was het moeilijk om die drie elementen in een goede verhouding te krijgen?
Ja, de eenzaamheid van de twee hoofdfiguren dreigde al het andere soms te verstikken.
Jan de Loper ging niet om met vrienden, maar met publiek. Hij werd populair, kreeg aanloop op zijn landhuis, organiseerde die aanloop zelfs, stelde bezoektijden in, hield rondleidingen in zijn zelfgemaakte museum. Voor hem vervulde het publiek de rol van een vriendenkring. Na de oorlog bleek dat een tijdelijke rol te zijn, en is hij moeite blijven doen om dat publiek terug te krijgen, maar dat lukte niet. Meer dan twintig jaar heeft hij vergeefs aandacht proberen te krijgen.
Rebert is tijdens zijn studietijd eenzaam, maar wordt gelukkig in het huwelijk met Tine, dat helaas niet lang mag duren. Wanneer hij daarna naar Angelen verhuist, kan hij fantaseren over Laura. Hij richt zich in tegenstelling tot Jan de Loper wel op individuen, is niet theatraal ingesteld, maar krijgt zijns ondanks een dankbaar publiek in de kinderen en mensen van het dorp.
Er zit een kruisstelling in het boek: de aandacht die Jan de Loper niet krijgt maar die hem gelukkig zou maken, krijgt Rebert, die daar helemaal niet naar streeft.
Laura Banda woont ook in het dorp, en zij is toch wel te zien als de motor voor de confrontatie tussen beide mannen.
Rebert is meer dan Jan de Loper iemand van de moderne tijd, hij heeft een opleiding gehad, en hij lacht neerbuigend om de grappen van de Loper, terwijl hij dat neerbuigende eigenlijk niet in zich heeft. Onwillekeurig doet hij misprijzend, en vanaf dat moment neemt Laura het op voor de grappenmaker. Zij vertelt hem voortdurend hoe Jan de Loper ook aan liefdadigheid doet, en hij houdt toch immers ook van dieren? Daarmee ontzegt ze Rebert het recht neerbuigend te doen. Haar houding maakt hem kwader, het werkt als een rode lap op een stier, en heeft een averechts effect: Jan de Loper wordt alleen maar steeds nadrukkelijker tegenwoordig in het hoofd van Rebert, het wordt een obsessie, hij moet er iets aan gaan doen.
De eenzaamheid, of het niet op zijn plaats zijn, zit natuurlijk ook in de witte walvis.
Net als Rebert gaat de vis uit zijn gewone omgeving weg, brengt hij ergens een gevoel teweeg, namelijk de dierenliefde in het dorp, en verdwijnt weer. Wat dat betreft zijn hij en Moby de walvis hetzelfde. Zo trekt Rebert witte kleren aan en loopt hij langs de rivier met de walvis mee naar Duitsland. Maar de vergelijking gaat tegelijk ook niet helemaal op: Moby heeft een plek om naartoe terug te gaan, althans Dr. Gewalt, die in Duitsland op hem jaagde, sluit niet uit dat de walvis, eenmaal weer op zee, zijn familie terugvindt. Maar Rebert... waar loopt hij naartoe aan het eind?
Je was tien toen de walvis door Nederland zwom. Het valt me op dat in Zoete mond verschillende aspecten zitten die autobiografisch zijn. In je pamflet Denkend aan Holland sprak je je voor het eerst in een publicatie direct uit. Zou je kunnen zeggen dat je persoonlijker bent gaat schrijven?
Ja, in het pamflet schreef ik voor het eerst in de ik-vorm. Dat was nieuw voor mij. En in de nieuwe roman zitten inderdaad gebeurtenissen die ik zelf heb meegemaakt of die ik mij herinner. Het boek speelt zich af in de streek waar ik geboren ben, opgroeide en studeerde; en net als ik heeft Rebert van Buyten twee studies gedaan. Jan de Loper kan in verband gebracht worden met mijn liefde voor het hardlopen; en zoals ik al eerder zei, is de liefde voor de dieren die in Angelen opsteekt, begonnen met mijn eigen konijn. Ook die nieuwbouwwijk, of die zeiltocht waarin Rebert de golfenergie uitvindt komen uit mijn eigen leven en herinnering. Maar nog los van deze elementen is dit boek ook in de kern het persoonlijkste tot nog toe.
Dat wil alleen niet zeggen dat het een autobiografisch boek zou zijn. Het is een verzonnen verhaal, gestoffeerd met dingen uit mijn eigen leven, waarin ook nog een historische gebeurtenis is verwerkt: namelijk de walvis die de Rijn op zwom.
Hoe is het om een roman af te hebben na al die tijd? Kijk je uit naar de reacties, of is het gevoel uit de wereld van de roman te zijn gegooid allesoverheersend?
Eerst ben je blij dat je het eind van het boek hebt gehaald en vervolgens als het in de ogen van derden, je redacteur en andere lezers van de uitgeverij, geslaagd is. Daarna volgen een paar maanden van een ontredderd, verweesd gevoel, waarin je niet verder kunt werken terwijl je nog lang niet op het boek uitgekeken was. Ik begon het ritme van het schrijven te missen. Het was een gevoel van ongemak, van achtergelaten te zijn. Pas bij de fase van het redigeren werd ik weer vrolijker.
Een boek gaat eigenlijk twee keer de wereld in: de eerste keer als ik het manuscript inlever bij de uitgeverij, de tweede keer als het boek gepubliceerd wordt. Zo’n eerste keer het boek uit handen geven vond ik enger dan de publicatie, als het boek de buitenwereld in gaat. Ik voel me gewapend door de uitgeverij die achter me staat.