WANDELING DOOR HET DECOR VAN PUBLIEKE WERKEN |
| | | Op stap door het Amsterdam van Walter Vedder Printversie |
|
|
Inleiding |
| | Publieke werken (1999) is de bekendste roman van Thomas Rosenboom. Het boek speelt in de jaren 1888-1890, afwisselend in Drenthe en Amsterdam. Een van de twee hoofdrolspelers is de Amsterdamse vioolbouwer Walter Vedder. Die heeft nooit bestaan, maar wat hij meemaakt is ten dele waar gebeurd en ook het decor van zijn belevenissen (het Amsterdam van het eind van de negentiende eeuw) is tamelijk waarheidsgetrouw beschreven. Dat maakt het mogelijk de wandelingen van Vedder door zijn stad nog eens na te lopen. Onderweg zullen we óók af en toe bespreken waar de schrijver (met het volste recht) de historische werkelijkheid naar zijn hand heeft gezet.
|
|
|
1. Centraal Station |
| | | Rosenboom situeert zijn verhaal in een periode waarin Amsterdam een sensationele groeispurt beleefde. Door de opening van het Noordzeekanaal was de haven weer goed bereikbaar geworden; tegelijk begon de in het buitenland al veel eerder begonnen Industriële Revolutie (gebruik van stoomkracht; schaalvergroting e.d.) ook in Nederland duidelijk door te werken. De economie bloeide op, de inkomens stegen, en daardoor veranderde ook het uiterlijk van de stad en het hele dagelijks leven. Tussen 1875 en 1900 werd het aantal inwoners verdubbeld, van zo'n 300 000 tot bijna 600 000. Een symbool daarvan was de bouw van het Centraal Station, dat in september 1889 werd geopend, vijftig jaar na de eerste treinrit in Nederland, van Amsterdam naar Haarlem. Over de plaats was lang gebakkeleid (een serieuze andere optie was een strook pal ten noorden van waar later het Sarphatipark kwam), maar in 1869 koos de regering uiteindelijk voor het IJ.Loop vanaf het Stationsplein rechtuit over de brug het Damrak op, tot het hotel op de hoek met de Prins Hendrikkade.
|
|
|
2. Victoriahotel |
| | | Het bouwproces van het Victoriahotel, goed gedocumenteerd beschreven door Rosenboom, bepaalt het hele boek door de daden en gevoelens van Walter Vedder en zijn naaste omgeving. Op 2 februari 1883 richtte de Duitse architect J.F. Henkenhaf de N.V. Hotelonderneming Victoria Hotel op, met een kapitaal van ƒ 500 000. In augustus 1890 werd het geopend, hier op de hoek van het Damrak en de Prins Hendrikkade met Henkenhaf als eerste directeur. De plaats, tegenover het gloednieuwe station, was natuurlijk geen toeval: ‘Denkend over zijn specialisme begreep Vedder opeens ook de opkomst van het luxehotel in samenhang met die van het spoorwegwezen, waardoor er immers een voorheen niet-bestaand publiek van welgestelde plezierreizigers was ontstaan.’
|
|
|
3. Damrak 2-5 |
| | | Het hele boek door is Vedder op zoek naar directeur Henkenhaf en soms ook naar diens jongere associé Ebert. Henkenhaf doet in de roman denken aan God zelf: aanbeden, almachtig en onzichtbaar. Vedders diepste wens is door Henkenhaf op waarde te worden geschat. Ebert voert namens de directeur de onderhandelingen met eigenaars van de te slopen huizen, maar als de onderhandelingen vruchteloos blijken, komt Ebert niet meer langs. Vedder had niet ver hoeven zoeken. Wat hij niet wist (maar Rosenboom óók niet, toen hij de roman schreef), was dat het duo meteen om de hoek leefde en werkte. Uit het Bevolkingsregister blijkt dat Henkenhaf & Ebert, architecten, sinds 1888 kantoor hielden op het adres Damrak 3, waar Henkenhaf de voorgaande jaren met zijn Schotse vrouw had gewoond; het echtpaar verhuisde toen naar het bredere buurhuis op nummer 2. Op deze foto van Jacob Olie uit 1883 zijn het de twee huizen links van het hoekpand. Een saillant detail, dat Rosenboom niet vertelt, is dat de architecten/hoteliers dus niet alleen de huizen van Vedder en zijn buren om de hoek op de Prins Hendrikkade wilden slopen, maar voor het goede doel ook hun eigen kantoor hebben afgebroken. Beiden kenden elkaar al uit het Duitse Heidelberg, waar zij samen een architectenfirma vormden. Zoals Rosenboom schrijft was Ebert de jongste. Johann Friedrich Henkenhaf verhuisde in 1882 naar Amsterdam, Friedrich Ebert in 1884. Ebert woonde (met Duitse vrouw en twee dochters) op Damrak 5, helemaal links op de foto. In 1884 ontwierp het duo in opdracht een uitbreiding van hotel Krasnapolsky, toen nog alleen in de Warmoesstraat. Dat verliep kennelijk zozeer tot tevredenheid dat Henkenhaf & Ebert in 1884 werden aangezocht voor de bouw van het prestigieuze Kurhaus in Scheveningen, dat in 1885 openging. Intussen werd hard gewerkt aan de grote droom: een eigen hotel! Op één belangrijk punt wijkt Rosenboom, waarschijnlijk onbewust, af van de werkelijkheid. Ebert, die zo'n prominente bijrol speelt in de roman, woonde in de beschreven jaren 1888-1890 helemaal niet meer in Amsterdam. In 1886 keerde hij terug naar Heidelberg, waar hij samen met een jongere broer van zijn voormalige seniorpartner een nieuwe firma Henkenhaf & Ebert oprichtte.Loop met Vedder mee de hoek om naar Prins Hendrikkade 46.
|
|
|
4. Prins Hendrikkade |
| | | ‘De kantoren gingen uit, Theo kon er al zijn. Hevig transpirerend haastte hij zich over het Damrak in de richting van het enorme station in aanbouw. Achteraan, bij het Huis met het Torentje op de hoek, sloeg hij linksaf de Prins Hendrikkade op. Ondanks de schaduw zag hij op slag dat Theo niet voor zijn deur stond. Misschien was hij al binnen, hij had een sleutel. Het eerste huis na de hoek was een logement, gedreven door een waard met wie hij onmin had, daarna kwam de kleermakerij van buurman Carstens, een laag huisje met maar één verdieping, dan zijn eigen huis met hoge, blinde zijmuur, dan de tapperij van zijn andere buurman, met wie hij ook onmin had. Zonder een blik opzij passeerde hij het logement, maar voor de open deur van de kleermakerij hield hij de pas in.’ Op de foto van Olie uit 1883 en deze prent van J.M.A. Rieke uit 1889 zijn alle genoemde panden te zien. Damrak 1, het Huis met het Torentje, was beroemd: vanaf zijn stompe uitkijktorentje konden de kooplieden die er woonden de schepen zien naderen over het IJ. Het logement ernaast, Prins Hendrikkade 48, was van H.C. de Waart. Daarna volgden de nummers 47 en 45, nu souvenirshop. Om deze twee huizen draait het in de roman. Het basisgegeven is historisch helemaal waar: de eigenaars van deze twee pandjes wilden zich niet laten uitkopen terwille van de hotelbouw, en uiteindelijk zijn deze huizen dus niet opgenomen in het hotelontwerp. De motieven van de halsstarrige bewoners heeft Rosenboom zelf verzonnen. Kleermaker P.A. Carstens heeft echt bestaan (op de daklijst zien we ‘Carstens, kleerenmaker’, maar zijn persoonlijke omstandigheden (die zieke vrouw en zo) heeft de schrijver bedacht. Vedder is helemaal fictief: in werkelijkheid werd nummer 46 (toen twee verdiepingen lager) bewoond door de tapper en slijter J.P. Verburgt.Kijk naar rechts, naar de waterkant en het station aan de overkant van het water.
|
|
|
5. Prins Hendrik de Zeevaarder |
| | | ‘De onzichtbare, inwendige werkzaamheden aan het station achteraan werkten hem op de zenuwen; het gebouw van verse, roze baksteen was klaar maar toch onvoltooid, soms stond het ook ineens weer in de steigers. Wat hij vroeger allemaal wel niet van hieraf kon zien, de boten, het water, de steigers […] getergd liet hij zijn blik omlaag zakken en dichterbij glijden, over het stationsplein naar het nieuwe plantsoen schuin onder hem, aan de overkant van de kade. Er stond een limonadeloket, en een paar jaar geleden, kort na de aanplemping, had de Dienst Publieke Werken er een borstbeeld van prins Hendrik geplaatst, met het gezicht naar het IJ en het dankbaar vlagsaluut van de door hem zo bevorderde scheepvaart -- maar tegenwoordig waren de schepen vanuit het plantsoen helemaal niet meer te zien, het station stond ervoor, de spoordijk belemmerde het uitzicht, straks zou de prins lijken op een kind dat zich aan de treinen vergaapt […] ongeacht de kwaliteiten van de buste als zodanig, wederom had de locatie hier het beslissende woord; waarom wilde men toch niet beter luisteren?’ Al vele jaren is er hier geen plantsoen meer te zien: alleen een autoracebaan en de ingang van een parkeergarage. Het borstbeeld van Prins Hendrik 'de Zeevaarder' (1820-1879), dat in 1885 werd onthuld, is in 1969 verhuisd naar het oostelijke deel van de Prins Hendrikkade, tegenover het Scheepvaarthuis. Deze Hendrik, niet te verwarren met de man van koningin Wilhelmina, was een broer van koning Willem III: hij deed veel voor de bevordering van de scheepvaart, hij was de eerste Oranje die Oost-Indië bezocht. Aan het eind van de roman ziet Vedder achter de westvleugel van het Centraal Station de schoorsteen van het aangemeerde grote passagiersschip de Orion. In werkelijkheid was dat onmogelijk. Daar aan De Ruijterkade lagen alleen beurtschepen voor het binnenlandse vervoer. De Oceaanstomers lagen ten oosten van het station, aan de Oostelijke Handelskade.Loop 20 meter verder over de kade en sla voorbij het hotel linksaf de steeg in.
|
|
|
6. Hasselaerssteeg |
| | | Tussen het hotel en het nieuwbouwpand nummer 37-38 ligt de nu Hasselaerssteeg, die naar de Nieuwendijk leidt. Eind vorige eeuw was het een armetierige doorgang van de kade naar de Nieuwendijk. Hier laat Rosenboom Vedders beschermeling Theo wonen, een vondeling uit het Diaconieweeshuis, die hier door Vedders bemiddeling opgroeit als pleegzoon van ‘de brave kelner Rossaert’ en diens kinderloze vrouw. Als de roman begint is Theo 15 jaar; ook Vedder koestert vaderlijke gevoelens tegenover hem, hetgeen bij Theo tot misverstand leidt. De steeg is genoemd naar Pieter Hasselaer (1554-1616), neefje van Kenau Simonsdochter Hasselaer, beroemd als manhaftige verdedigster van Haarlem tegen de Spanjaarden in 1573. Pieter had rond 1600 op de linkerhoek van de steeg een brouwerij, de Witte Arent.Loop linksaf via de Haringpakkersteeg naar het Damrak (deels gedempt in 1883), ga daar rechtsaf tot de achterkant van de Beurs van Berlage (geopend in 1903) en ga daarlangs linksaf de Oudebrugsteeg in. Loop steeds rechtdoor, dwars door de vermaarde Walletjesbuurt, naar de Zeedijk en ga daar rechtsaf naar de Nieuwmarkt.
|
|
|
7. Vishal |
| | Dit moet Vedders vaste route geweest zijn naar de grote stenen vishal op de Nieuwmarkt, die (van 1841 tot 1901) stond tegenover de Waag aan de kop van de Geldersekade, waar nu het beeld van Bredero staat. Vedder is een groot visliefhebber en trotseerde graag de stank en de drukte in deze markthal: ‘Zoals zij dicht opeengepakt stonden moesten hun bruine petten van bovenaf wel lijken op de schubben van één reusachtige rog, die heel de vishal vulde in roerloze zweving vlak boven de bodem, alleen aan de uiterste, reeds doorschijnende rand met fijne vinnen beweeglijk voelend langs de muren […] het was kortom een heerlijk gedrang, en zuchtend liet Vedder zijn blik over de hoofden heen gaan. Overal gooide men lachend stukken vis omhoog, als aas; ginds aan de overkant raakte een ooievaar met zijn vleugel een pilaar en viel tollend neer; een andere verkrampte zomaar in de lucht en kwam in de vorm van een kapotte paraplu naar beneden.’ De Waag staat er nog wel. Het is een oude stadspoort, uit 1488, waar later goederen werden gewogen. Van 1876 tot 1888 deed ze dienst als brandweerkazerne, van 1892 tot 1914 als Gemeentearchief. Later waren het Amsterdams Historisch Museum en het Joods Historisch Museum er gevestigd. Nu is er een grand café.Sla net ten zuiden van de Nieuwmarkt rechtsaf de Barndesteeg in en loop, weer door de Rosse Buurt, zo veel mogelijk rechtdoor, door de Stoofsteeg en de Sint Jansstraat naar de Warmoesstraat. Ga daar linksaf.
|
|
|
8. Krasnapolsky |
| | | Op nummer 173-187 zien we het negentiende-eeuwse deel van het beroemde hotel Krasnapolsky. De uitbreiding van dit hotel in 1884 was de eerste prestigieuze opdracht in Nederland van de architecten Henkenhaf & Ebert. (Mede-pseudonimist E. Nigma herinnert Vedder eraan als zij op een avond samen in de Marnixstraat de architectuurwereld doornemen.) A.W. Krasnapolsky (1838-1912), zoon van een Poolse kleermaker, was coupeur bij de legendarische Winkel van Sinkel aan de Nieuwendijk, toen hij in 1865 het slecht lopende Nieuwe Poolsche koffiehuis aan de Warmoesstraat 181 overnam. Met zijn zwager A. Volmer maakte hij er een populair restaurant van, vooral befaamd om de door Volmers zus gebakken pannenkoeken. Buurpanden werden opgekocht en in 1880 werd de beroemde Wintertuin ingericht, een gigantische zaal met een grote glazen koepeldak en vol met heuse palmen en bloeiende planten. Hij bracht er zelfs elektrische verlichting ('peertjes van Edison') in aan. De in Amsterdam gehouden Wereldtentoonstelling van 1883 was een mooie aanleiding om de zaak uit te breiden met de nummers 175-177 tot een hotel met 125 kamers: dat was de klus die Henkenhaf & Ebert in korte tijd klaarden. Op 14 juni ging het nieuwe deel open. Na de tweede Wereldoorlog werd 'Kras' uitgebreid tot de Pijlsteeg. In 1957 werden de panden Warmoesstraat 187-205 vernummerd tot Dam 9-15, hetgeen het prestige van het hotel ten goede kwam.Loop door naar de Dam.
|
|
|
9. Dam |
| | | De Dam komt nauwelijks in dit boek voor, terwijl het toch de bekendste plek van Amsterdam was. Mensen van de wereld als Henkenhaf en Ebert, met hun kantoor op het Damrak, moeten hier bijna elke dag overheen zijn gewandeld. Het was hier altijd een drukte van belang, niet in de laatste plaats omdat de Dam tot 1902 het eindpunt was van alle paardentrams. Bovendien paradeerden hier de ganse dag winkelend publiek, overstekend van de Kalverstraat naar de Nieuwendijk of terug, en dorstige beursmannen en bohémiens, op weg van de beurs of tingeltangels in de Nes naar trendy Kalverstraat-cafés als Polen en De Karsseboom, of naar restaurant Die Port van Cleve op de Nieuwezijds. (Als de wanhoop toeslaat, is Vedder vaak in die cafés te vinden.) Midden voor het paleis stond het monument voor de Volksgeest van 1830-1831. De vrouwenfiguur op de zuil kreeg al gauw de bijnaam Naatje. Dat was destijds een gangbare vrouwennaam, afgeleid van Catharina, maar had ook een scabreuze bijbetekenis: naadje in de betekenis van spleetje (of gleuf, in corpsballenjargon). Op 8 april 1914 moest, volgens een revueliedje, ‘Naatje van de Dam verdwijnen voor de elektrieke tram’, maar toch vooral omdat haar stenen neus en één arm al spontaan op passanten waren neergestort. Haar verdwijning, vlak voor de Eerste Wereldoorlog, symboliseerde treffend het definitieve einde van het oude, provinciaalse Amsterdam.Loop door de om het paleis heen en door de Raadhuisstraat naar de brug over het Singel.
|
|
|
10. Warmoesgracht |
| | | Vóór ons op de linkerhoek zien we het huidige hoofdpostkantoor, in 1926 gebouwd voor de Nederlandsch-Indische Handelsbank. Zo'n 50 meter naar links staat Singel 262, waar onder meer uitgeverij Querido is gevestigd, de vaste uitgever van Thomas Rosenboom. Het deel van de Raadhuisstraat tussen het Singel en de Herengracht was tot 1894 de rustige Warmoesgracht. Jacob Olie fotografeerde in maart 1894 in de tegenovergestelde richting vanaf de Herengracht in de richting van het paleis. Een kleine maand later begon de demping ten behoeve van de brede verkeersweg die Raadhuisstraat ging heten en op 5 november 1896 werd opengesteld voor het verkeer. Tussen Herengracht en Keizersgracht, in Vedders tijd doorlopende huizenrijen, werden daarvoor liefst 21 kapitale huizen gesloopt. Daar kwam, met een S-bocht die aansloot op de Westermarkt en de Rozengracht, een majestueuze winkelgalerij, door J.G. van Gendt met zijn vader en broer ontworpen in opdracht van levensverzekeringsmaatschappij Utrecht. In zijn roman krijgt Vedder (alias 'Veritas') de eer het idee voor deze verkeersdoorbraak als eerste te hebben bedacht. In werkelijkheid werd het voor het eerst bepleit door architect Theo Sanders, voor 1900 de associé van de toen nog niet heel beroemde H.P. Berlage, die het hoekhuis aan de Herengracht ontwierp. ‘Met betrekking tot het volksvervoer tussen de westelijke stadsuitbreiding en het werk in de binnenstad, een afstand te groot om nog te lopen, bepleitte Veritas een geheel nieuwe verkeersader over de daartoe te dempen Rozengracht. De aansluiting van deze westradiaal op de Dam zou helaas ten koste van enige bestaande bebouwing gaan, maar ook wat betreft die onvermijdelijke sloop en navenante kosten wees Veritas de weg: De Amsterdamsche Omnibus Maatschappij kan concessie verleend worden om haar tramrails in de westradiaal te leggen, met welke opbrengst dan tevens voorzien is in de financiering van de noodzakelijke en zo nodig bij wet afdwingbare onteigeningen. Het was zijn meest succesvolle stuk, een paar jaar later kwam de westradiaal daadwerkelijk in de gemeenteraad, maar niemand die toen nog wist dat Veritas er als eerste over geschreven had.’Loop door naar de brug over de Herengracht.
|
|
|
11. Notaris Biederlack |
| | Als u aan de overkant van de brug rechtsaf zou gaan, passeerde u na een paar honderd meter nummer 54, in de roman het adres van notaris mr. Biederlack, zowel werkzaam voor Ebert als voor Vedders Amerikaanse neef Al. Die Biederlack is verzonnen, maar zijn huis voldoet aan de beschrijving: ‘Herengracht 58 was een statig pand met dubbele stoeptrap en een koperen naamplaat naast de deur.’ In werkelijkheid woonde hier rond 1890 Louise Wüste-Knoops, weduwe van de directeur van de Java Maatschappij. Nog verder in de richting van de Brouwersgracht, op nummer 24, woonde volgens het Bevolkingsregister van juni 1889 tot juni 1892 Henkenhaf met zijn Schotse vrouw en drie kleine kinderen, nadat zij wegens de sloop hun woning op het Damrak moesten verlaten. Hiervandaan verhuisde hij naar Diemen en al in oktober 1892 terug naar Duitsland.Loop door over de Westermarkt naar de brug over de Prinsengracht naar de Rozengracht.
|
|
|
12. Rozengracht |
| | | ‘De volgende dag stond in de krant dat de Rozengracht bij raadsbesluit van 16 oktober jl. [1889 - PPdB] zou worden gedempt omwille van een nieuwe verkeersbaan vanuit het centrum naar de nieuwe stadsuitleg. Het zou precies die westradiaal worden waar Veritas als eerste voor gepleit had, mits men nu ook maar wilde overgaan tot demping van de Warmoesgracht in het verlengde van de Rozengracht alsmede, tenslotte, de onteigening en afbraak van die huizen die nog een laatste hindernis vormden, met welke doorbraak de aansluiting op de Dam en de optimale verkeerscirculatie eerst een feit zou zijn. Onverwijld begaf Vedder zich naar de Rozengracht. De zon scheen; overal had men de vlag uitgestoken; de vreugde der bewoners over het nieuwe belang van hun kade was groot […] en niemand die wist dat hij Veritas was!’Ga niet de Rozengracht op, maar volg (over de brug linksaf) de Prinsengracht tot de Looiersgracht. Ga die rechtsaf op, tot de Marnixstraat.
|
|
|
13. Jordaan |
| | ‘Ze doorstaken de Jordaan langs de Looiersgracht, sloegen linksom de Marnixstraat in en bevonden zich na de volksbuurt weer mede omringd door koetsen en hoge hoeden. Het was een kille avond.’ Vedder en zijn pupil Theo, net 17 jaar geworden, doorkruisen op weg naar het Concertgebouw de beroemde volksbuurt de Jordaan. Geheel anders dan in Theo Thijssens beroemde roman Kees de jongen, die ook rond 1890 speelt, wordt in Publieke werken aan die buurt verder geen woord vuilgemaakt. Dat is helemaal in de geest van Vedder, die zo graag bij de elite zou horen. De Jordaan, volgebouwd in de zeventiende eeuw, was tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw een buurt voor arme lieden. En pas na 1920 werd het Jordanese volksleven object van romantiserende boeken, revues, films en smartlappen. Tegenwoordig is het allang geen arbeidersbuurt meer: er wonen nog wel een aantal bejaarde bewoners met weinig inkomen, die hier zijn opgegroeid, maar daarnaast ook veel artistiekelingen, studenten en welstandige intellectuelen, zoals Thomas Rosenboom.Ga linksaf en loop door de Marnixstraat naar het Leidseplein, tot de zijgevel van het American Hotel.
|
|
|
14. Leidseplein |
| | | ‘Vedder had onder het lopen zijn jas aangetrokken en negeerde Theo nu vrijwel volledig, slechts wees hij in het voorbijgaan schuin omhoog naar de donkere kamerstapeling van het American Hotel, niet met een uitgestoken vinger maar met de vlakke hand, zoals men over een uitgestrekt terrein wijst, of naar de toekomst. “Het American Hotel,” zei hij, zonder de pas in te houden of ook maar een enkele blik opzij, zonder een antwoord te vragen of dat zelfs maar toe te staan, “daar logeert mijn neef uit Amerika.”’ Eerder in het verhaal, op een donderdagavond in 1888, heeft hij hier al staan smachten onder het raam van de biljartzaal van het hotel, waar op dat moment het genootschap Architectura vergadert: ‘Werktuiglijk posteerde Vedder zich aan de overkant, ruggelings tegen de schouwburg gedrukt. De biljartzaal had drie grote boogramen, zoals thans overal in zwang, en lag anderhalve meter boven straatniveau, op een basement met blinden. Wanneer er nu een heer aan het venster kwam, zou hij hem bijna vanaf gelijke hoogte aan kunnen zien.’ Het American Hotel waar Vedder zo graag binnen genood zou worden en waar zijn Amerikaanse neef naar eigen zeggen logeerde was niet het hotel dat wij nu nog kennen. Het huidige pand, uit 1902, ontworpen door Willem Kromhout, had een gelijknamige voorganger en een heel wat minder strakke stijl, met vele erkers en kleine torentjes. Dat eerste American Hotel werd in 1882 voor eigen rekening gebouwd door architect en hotelier C.A.A. Steinigeweg, die jarenlang in de Verenigde Staten had gewoond. Het was zeer luxueus. Ook de Stadsschouwburg, waar Vedder met zijn rug naartoe stond, zag er heel anders uit dan het huidige gebouw. Het was een sober, classicistisch gebouw uit 1774. In november 1890, kort na de opening van het Victoriahotel, werd het door brand verwoest. In 1894 werd de nieuwe schouwburg ingewijd, gebouwd in de stijl van de Hollandsche Renaissance.Loop rechtdoor het plein over naar de Weteringschans en ga verder tot de Museumbrug, rechts. Ga die over en loop om het Rijksmuseum heen naar het Museumplein, met aan het eind het witte Concertgebouw. (De onderdoorgang van het Rijksmuseum is tot 2008 wegens verbouwing gesloten.)
|
|
|
15. Rijksmuseum en Concertgebouw |
| | | ‘Eenmaal voorbij het Leidseplein werd het snel stiller op straat, de stad begon te rafelen aan haar zoom en na de onderdoorgang van het ook nog maar vier jaar oude Rijksmuseum, evenals het Centraal Station gebouwd door Cuypers met het voorkomen weer van een klooster, kwam toch nog onverwachts het overrompelend witte, gloednieuwe Concertgebouw te zien, al niet meer binnen de bebouwing, oprijzend als een eiland, een ongenaakbare krijtrots uit de enorme lege vlakte ervoor, het glacis van de nieuwste kunstveste, het proscenium van een hoger podium, alles omlijst door de nacht en de peilloze diepte van het boerenland erachter.[...] Talloos waren de rijtuigen die naast het immense gebouw al stonden te wachten. Als verwacht was het voorportaal afgesloten, maar de artiesteningang opzij ging moeiteloos open. In de portiersloge zat een man te gapen onder een koperbeslagen pet, Vedder tilde de viool als een achteloze groet naar hem op en sloeg de eerste de beste hoek om: ze waren binnen!’ Tot omstreeks 1870 hield de stad voorbij de Lijnbaansgracht op. Die gracht was de binnengracht van de rond 1850 gesloopte stadswallen, waar daarna de Marnixstraat en Weteringschans werden aangelegd. In de laatste dertig jaar van de negentiende eeuw breidde de stad zich geweldig uit. In de polder werd allereerst het Vondelpark aangelegd. Daarnaast kwamen straten voor de deftige burgerij, zoals de Vondelstraat en de P.C. Hooftstraat. Ook rond 1870 werd begonnen met de bouw van een nieuwe arbeidersbuurt, die al snel informeel de Pijp ging heten. En in de jaren tachtig volgden nog meer arbeidersbuurten, saai en sober, maar toch beter dan de krotten van de Jordaan. Tussen de Vondelparkbuurt en de Pijp verrezen een paar cultuurtempels: allereerst het Rijksmuseum (1885; ontworpen door P.J.H. Cuypers) en het Concertgebouw (1888; van A.L. van Gendt). Het Suasso-Museum, nu Stedelijk Museum, ging pas in 1895 open, dus dat wordt in de roman niet genoemd.Dit is het einde van de wandeling. Tram 2, 5 of 16 brengt u terug naar het Centraal Station. In de AKO-kiosk aan de westzijde is de roman áltijd op voorraad. We kijken nog even naar de overkant van het water naar Vedders huis en het hotelraam boven het platte dak van Carstens. Hier speelt het dramatische hoogtepunt van de roman, als volgt ingeleid: ‘In het open hotelraam zat een heer in rok, heel gemoedereerd, met de benen naar buiten, de voeten op het platte dak, de armen over elkaar gevouwen. “U... u bent... de heer Henkenhaf?” De heer glimlachte.’ Het © op de gebruikte afbeeldingen is geregeld met www.beeldbank.amsterdam.nl.
|
|
|
|